Uit: Meneer Foppe en het gedoe, 1987
Onmiddellijk na het uitzetten van de wekker doorstroomde meneer Foppe het gevoel dat bij deze dag paste. Jarig! Zeventien mei, hij werd vandaag zevenenveertig jaar. En het was nog wel zaterdag. Jarig zijn op een zaterdag, hoe vaak kwam dat in je leven voor? Kon je dat berekenen zonder eeuwigdurende kalender bij de hand? Met zijn handen achter zijn hoofd, trakteerde meneer Foppe zich op nogeenpaarminutenblijvenliggen.
Zesenveertig keer had hij zich jarig gevoeld, filosofeerde hij, want als je één wordt, weet je nog niet wat jarigzijn betekent, die jaardag telt niet mee.
Herinnerde hij zich een dag uit de lange reeks? De zesde zeker. Toen stonden er op een stoel naast zijn bed ‘s ochtends vroeg vijf gipsen soldaatjes opgesteld. Amerikaanse soldaten, want Nederland was twaalf dagen bevrijd. Twee ervan droegen witte helmen met de letters MP. Mpies.
En de twaalfde, dat was de verjaardag van de nieuwe fiets. Nou ja nieuw, het was de oude fiets van tante Nel, maar schitterend gemoffeld en zonder stang in het midden is veel handiger met opstappen, moest hij maar denken.
Kreeg hij het pakhuis op zijn vierde? Of was dat voor Sinterklaas. Stel je voor dat je foto’s bezat van al je cadeautafels. Een album met foto’s van de verjaarcadeaus en een ander met de Sinterklaascadeaus, wat een onthullende levensgeschiedenis zouden die fotoboeken vormen.
Een tintelend, licht opgewonden gevoel was het, jarig zijn en dat kreeg je dus ook als niemand anders in de wereld wist van je verjaardag en het zeker was dat niemand je die dag zou feliciteren, bellen of bezoeken.
Meneer Foppe vond het helemaal niet erg, je verjaardag in je eentje vieren. Twee jaar geleden, op zijn vijfenveertigste, realiseerde hij zich, dat hij de helft van zijn leven erop had zitten. Ik hoef niets nieuws meer mee te maken, had hij met zichzelf afgesproken. Door vanaf nu terug te denken aan alle leuke dingen van vroeger, doe je de eerste helft nog eens dunnetjes over. Je leeft zo eigenlijk twee keer.
De lange, blauwe winterjas kreeg hij op zijn dertiende, schoot hem ineens te binnen. Zie je, dat was hij vergeten. Door zich die jas te herinneren, vierde hij zijn dertiende verjaardag opnieuw. Het jammere was toen, wist hij weer, dat het veel te warm was geweest om met een winterjas aan naar school te gaan. Pas maanden later had hij de jas kunnen laten zien en na zo’n tijd is de verjaardagsglans wel van een cadeau af. Nee, alleen de leuke dingen wilde hij zich herinneren, de tweede helft moest een leuk leven worden.
Een uur later bestelde hij bij de bakker zijn vaste halve gesneden bruin en, als extraatje, een verjaardagstraktatie. Het liefst zou hij een slagroomgebakje nemen, maar dat durfde hij niet goed vragen, één gebakje, iemand die thuis in zijn eentje een gebakje gaat opsmikkelen, dat zouden ze raar vinden in de winkel. Daarom nam hij twee appelcarrés. Een appelcarré hield het midden tussen een gebakje en een koffiebroodje en als je er twee nam, was dat een doodnormale bestelling, iets bij de koffie voor het weekend. ‘En dan nog twee appelcarrés, zei hij met vaste stem en niemand lachte. Hij kreeg er een feestelijk doosje omheen. Nam je één carré, dan legde de juffrouw hem op een kartonnen bodempje met drie opstaande zijkantjes, dat ze in een papieren zak schoof. Twee carrés waren goed voor een doosje.
Op de terugweg schrok meneer Foppe van de gedachte dat hij er opvallend bijliep. Die man daar, met die gebaksdoos, is zeker jarig. Ach, wat kon het ook schelen, dan wisten ze het maar wel. De zon viel op de doos en belichtte door het plastic venstertje in het deksel, de goudbruine appelcarrés. Waar deed een carré hem toch aan denken, met die ribbels bovenop? Aan een eiersnijder? Sandalen? Meneer Foppe schoot in de lach. Waarachtig, de twee appelcarrés herinnerden hem aan de sandalen die hij op zijn veertiende verjaardag had gekregen. Die dag was het te koud geweest om met sandalen aan naar school te gaan … ho, alleen aan leuke dingen denken.
Thuisgekomen zette hij een vers bakje koffie, maar wachtte nog even met de eerste appelcarré. Precies om drie minuten over half elf nam hij een hapje, dat was namelijk het tijdstip waarop hij was geboren, wist hij van zijn moeder. Nu was hij pas echt jarig. Wat een uitmuntende carré! Smeuïg, die appelvulling en wat veel rozijnen. Dit zou een fijne verjaardag worden. Misschien wel de allerleukste.