(Een videogesprek met de schrijver op Literatuurplein.)
In alle nieuwsuitzendingen zag je mensen met mondkapjes voor hun gezicht. Meneer Foppes ongerustheid steeg met elk volgend journaal. Weer meer blauwe en witte mondkapjes. Ze liepen over straat, ze zaten op bankjes in de parken, ze kwamen aan op vliegvelden. Het waren weliswaar buitenlandse mondkapjes, maar de tijd zou komen dat ook hier… Meneer Foppe had op straat en bij het boodschappen doen al voorzichtig om zich heen gekeken, maar nog geen Nederlands mondkapje kunnen ontdekken.
En dat terwijl iedereen, dat wist hij zeker, wel een mondkapje in huis had. Behalve meneer Foppe. Hij had op de radio gehoord dat ‘er een run op mondkapjes was geweest’. Nou had hij toch al niet in de winkel om een mondkapje durven vragen. Hij wist wat ze - terecht - zouden denken: ‘Kan die oude meneer zijn kostbare mondkapje niet beter afstaan aan een jonger iemand?’ In wat voor winkel kocht je eigenlijk mondkapjes? In de apotheek? Op doktersrecept?
Als binnenkort het mondkapje voor alle Nederlanders verplicht werd gesteld, mocht meneer Foppe niet meer de straat op. Niet meer naar de supermarkt. Als enige zonder mondkapje werd je als een paria genegeerd en uitgescholden.
Zou het moeilijk zijn, zelf een mondkapje maken? Het zou een politiecontrole moeten kunnen doorstaan - dus vervaardigd van echte stof.
De servetten van moeder, dacht meneer Foppe in de vroege ochtend na een slapeloze nacht. De mooie, witte, damasten servetten, die vroeger alleen met Kerstmis op tafel lagen. Hij had er zes keurig opgevouwen in het dressoir liggen. Uit één servet mocht best een mondkapje worden geknipt. Zonde, moeder was er zo zuinig op geweest; het waren de servetten van háár moeder. Maar als het leven van haar zoon gered kon worden, had zij het ook gedaan: knippen in een mooi servet.
Het eerste mondkapje viel te klein uit. Meneer Foppe had twee gaatjes aan de zijkanten van het uitgeknipte lapje geboord waarin hij twee elastiekjes had geknoopt, maar het mondkapje zat veel te strak voor meneer Foppes mond. Toen hij een zenuwachtige grimas trok, brak het elastiekje rond zijn rechteroor.
Ook het tweede mondkapje bleek te klein. Als meneer Foppe door zijn neus ademhaalde, klapte de bovenkant van het lapje naar beneden en kwamen zijn neusgaten vrij en dat was vast en zeker verboden.
Het derde en vierde mondkapje waren weer te groot. Ze bedekten meer dan de helft van meneer Foppes hoofd. Een mondkapje? Het leek wel een bivakmuts. Misschien hielden ze hem wel voor een overvaller en zou hij in de kraag worden gevat.
Toen meneer Foppe nog één servet over had gaf hij het op.
Weet je wat, dacht hij, als het griepvirus het hele land in zijn greep heeft gekregen, bind ik mijn laatste servet aan de buis van de stofzuiger, die ik als witte vlag uit het raam steek. Dan weten ze dat daar iemand woont die hulp nodig heeft. Ze komen me heus wel redden.
Of niet.
Nou, dan niet.

